Dure smaak

By

nov 4, 2013 Inspiratie, Styling 0 Comments

Door Tanja Hoff

Als je mij, zes à zeven jaar oud, in een kledingwinkel zette met de opdracht dat ik iets mocht uitzoeken dan wist je zeker dat ik met het duurste jurkje en grote glimmende viooltjesogen bij je terug zou komen.

Ik heb een dure smaak. Al zou je dat, kijkend naar de kleding in mijn kast of naar de inrichting van mijn huis, niet zeggen. Ik heb nooit veel geld gehad en ben dan ook eigenlijk een beetje bang om mijn hart te laten spreken als ik door een winkel loop. Ik behandel mijn smaak een beetje als een gevaarlijk dier dat ik streng aan de leiband houd. Los laten op eigen risico…. Voor ik het weet ben ik weer ergens grenzeloos verliefd op en kan ik niet meer leven zonder dat specifieke item.

Al vroeg moest ik met dit ‚Äėdier‚Äô een omgangsregeling treffen. In het leven van een veertienjarige puber met 80 gulden kleedgeld per maand is namelijk echt geen plek voor zo‚Äôn roofbeest. Dus wat dan?

Creatieve oplossing

Nu ben ik opgegroeid in een tijd waar  moeders nog zelf kleding maakten. Vooral de moeder van mijn hartsvriendin Colette was superhandig met naald en draad. En ook zo snel! Mijn moeder was in mijn ogen eeuwig bezig met een patroon uitraderen, een proefmodel maken, rijgen, passen en dan nog prachtig afwerken. SAAI!

Colette‚Äôs moeder daarentegen zag iets in een winkel, maakte ter plekke een schetsen een paar weken later liep Colette dan in een perfecte kopie. Met een prachtige applicatie of iets anders kunstigs. O, wat was ik jaloers! En alles met zo veel gemak… dat wilde ik ook!

Dus ontdekte ik de naaimachine. En denk maar niet dat ik ging vragen hoe ik die moest gebruiken: Gewoon rauschen. ’s Morgens iets bedenken dat ik ’s avonds kon dragen en daartussen de machine van mijn moeder aan gort helpen. Dat was mijn stijl. Niet afgewerkt, dus gewassen kon het nooit worden, en van knopen had ik ook nooit gehoord. Veiligheidspelden voldeden prima.

Stoffen uit de stoffenwinkel of op de markt lagen ver boven mijn budget, dus struinde ik winkels als de Zeeman en tweedehandswinkels en rommelmarkten af. Tweedehands kleding werd in die tijd nog gewoon troep genoemd in plaats van vintage en was dus nog echt goedkoop.

Heel af en toe (iedere maand?! bijna) als ik toch weer verliefd was geworden op die voor mij onbetaalbare jas, jurk of broekpak van Mac & Maggie of op die fantastische schoenen van Sacha keek ik mijn mams-lief onweerstaanbaar verleidelijk aan en zo zag ik er toch altijd fashionable uit.

Indoor shoppen

Maar mijn belangrijkste remedie tegen het niets hebben om aan te trekken was… dat ik ook shopte in de kast van mijn zusje, en in die van mijn moeder, en in die van mijn vader. En als de hond een kledingkast had gehad, was ik ook daar ingedoken!

Mijn aankleedritueel op een normale doordeweekse dag begon met luisteren naar de radio: ‚ÄúWat moet ik aan vandaag?‚ÄĚ ofwel het kledingadvies van Jeroen Van Inkel. En dan ging mijn hoofd koortsachtig alle kasten na. Wat er in hing en wat ik daar van kon gebruiken. Ik had al heel jong het talent dat ik alle kleding die iemand had gedragen onthield.

Dus als 15-jarige kleedde ik me aan, al lopende van mijn zolderkamer naar de waslijn, via mijn vaders kast door naar beneden, naar die van mijn moeder en eventueel die van mijn zusje. Dan naar beneden waar iedereen zich al aan de ontbijttafel had verzameld waar het¬†dagelijkse ritueel begon: ‚ÄúMam, ¬†mag ik jouw ( vul in: bh, t-shirt, trui, riem) lenen? Ik heb hem eigenlijk al een beetje aan…( grote glimlach)”.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit iets niet mocht lenen. Maar of dat was omdat het echt oké was, of omdat er geen tijd meer was om me om te kleden, dat weet ik niet!

Tweedehands geeft iets extra’s

Ik hou nog steeds van kleding lenen of krijgen. Ik koop zelden nieuwe kleding, simpelweg omdat ik het te duur vind. Ook hou ik ervan dat kleding niet speciaal door mij is uitgezocht, dat ik er niet voor heb gekozen. Het geeft me ruimte in mijn hoofd om creatief te zijn. En ik houd van het gevoel dat mijn kleding van die vriendin was of van mijn zusje of moeder. Alsof ze dan via mijn kleding een beetje bij me zijn.

Ik ben trouwens wel benieuwd of ik nog steeds met het duurste item aan zou komen als je me nu in een winkel neerzet met de opdracht te kiezen wat ik mooi vind. Het is een experiment dat ik nog niet aandurf, bang om verliefd te worden en niet meer zonder te kunnen. Dus blijf ik voorlopig met budget-ogen shoppen. Mijn mantra tijdens het winkelen is: ‚ÄúHeb ik niet nodig, Heb ik niet nodig!‚ÄĚ.

En tja, ik heb ook niets nodig, maar grote glimmende viooltjesogen zijn er nooit genoeg op deze wereld, toch?

Over Tanja
Tanja Hoff (40) is kledingstyliste en tekent. Voor Little Green Dress schrijft zij iedere maand over kleding, mensen en haar verwondering over beide. Daarnaast is ze ook regelmatig aanwezig op de kledingruilfeesten van Little Green Dress om mensen te helpen hun eigen stijl te vinden. Meer informatie over Tanja vind je op www.tanjahoff.nl

Leave a Reply